Mama, ik maak me zorgen. Over jullie…

Het was zo’n dag die begon met een donderwolk en eindigde met een gouden randje. Iedereen heeft wel eens zo’n dag. Arjen en ik wilden de stad uit. Niet een heel weekend maar een dagje. We hadden genoeg van de grijze luchten en de kilte van Lima. De week ervoor hadden we ontdekt dat onze nood-rugzakken volledig beschimmeld waren (ook van binnen… dus de hele inhoud was groen en zwart bespikkeld) net als twee broek-riemen van Arjen en twee (mooie en dure) jurken vertoonden schimmelvlekken. Dat zijn de momenten waarop ik Lima hartgrondig vervloek. Kortom, zon wilden we.

De jongens hadden daar andere opvattingen over. Ze hadden hun tweede volledige schoolweek afgerond en waren moe. Moe van het hervonden ritme, moe van de late zwemtrainingen waar nu ook onze Benjamin aan meedoet. Het huiswerk. Het gebrek aan tijd voor henzelf. Natuurlijk begrijpen we dat als ouders. We zoeken altijd naar balans tussen de behoeften van de jongens en die van ons. Maar in dit geval was ons behoefte aan natuur en zon sterker dan hun tegenargumenten. We gingen. Punt uit.

Wat volgde was een twee uur durende rit, langzaam omhoog, richting de Andes. In Lima regende het zachtjes. De wegen glinsterden nat en glad en we waren niet de enigen op die wegen. Zelfs op zondagochtend is het een uitdaging de miljoenenstad te verlaten. Al snel lagen de mooie appartementencomplexen en ommuurde villa’s achter ons. Naarmate we de dure wijken verder achter ons lieten, nam de kwaliteit van de bebouwing af. Eerst zie je nog wat shabby ogende shopping malls die verraden dat er mensen in de buurt wonen die iets te besteden hebben. Dan maken de shopping malls plaats voor steeds kleinere winkeltjes. De huizen hebben aanvankelijk nog een traditioneel uiterlijk, maar uiteindelijk rijd je door de sloppenwijken. Het blijft confronterend. De golfplaten waarvan hutjes worden gemaakt. Steevast tegen onstabiele bergen aan gebouwd waarvan iedereen weet wat ermee gebeurt bij een grote aardbeving.

Langs de weg verkopers die hun spulletjes aanbieden. Flesjes water die waarschijnlijk onder de kraan zijn gevuld. Zakjes met nootjes. Plastic hebbedingetjes. Vooral bij stoplichten en bij de peage hokjes is het dringen geblazen. Onze kinderen zitten ondertussen achterin de auto Fortnite te spelen terwijl ze chatten met vriend Charlie die elders in Lima thuis achter zijn Ipad zit. Wij zijn irritante ouders, zoveel is duidelijk als we onze jongens enthousiast wijzen op de zon die na een dik uur rijden zijn stralen op ons richt. We rijden door een smal dal omhoog. Het in het dal florerende groen, verraadt de aanwezigheid van een rivier. Het dal wordt breder en breder en het groen breidt zich uit, langs de bergen klimt het omhoog.

Kijk, deze bergen waren een van de redenen waarom Lima ons een goede post leek. We waren het even vergeten, dat die er toch echt zijn. En dat de zon daar altijd schijnt in de winter, leek onmogelijk met al dat grijze om ons heen. Twee uur rijden vanaf ons huis en we bevinden ons in een totaal andere wereld. Waar mobiele telefoons geen bereik hebben. Waar geen appartementengebouwen staan, geen dure villa’s. Hier wonen boeren en kleine handelaars met hun gezinnen. De streek is met name bekend om de chirimoya’s die er verbouwd worden. We hadden ze nog niet eerder geproefd, dat staat dus op de planning voor deze dag.

In Callahuanca parkeren we de auto voor het gemeentehuis dat gewoon open is, al is het zondag. De weg in Callahuanca is net breed genoeg voor een auto en omlust het marktplein waar ook het gemeentehuis aan ligt. Daar is ook de kerk en een grote vergaderzaal. Als we er parkeren is het nog stil. Een paar marktkraampjes op het pleintje trekken wat publiek. Verder is er niets. We lopen naar het beginpunt van de wandeling die we willen maken. Naar de Mirador de Callahuanca. Een mirador is een uitzichtpunt en we hebben geen idee hoe hoog deze ligt. Een slingerend zandpad met platgetrapte plastic flessen en lege chipszakken, voert ons naar boven. Het uitzicht is schitterend, dat moeten de jongens toch ook wel toegeven. De zon schijnt en dat is even wennen. Bizar dat je in twee uur van grijs en koud naar zomers en warm rijdt.

Halverwege de klim splitsen we ons gezin op. Arjen en Benjamin klimmen verder, ik ga met Thomas naar beneden. Terug in het dorp, kopen Thomas en ik een flesje cola light (in het weekend mag dat af en toe) en we vinden een bankje op het marktplein, tegenover een fontein. In de grote vergaderzaal wordt geschreeuwd, mensen staan in de deuropeningen te kijken en te luisteren. Dagjesmensen uit de buurt – hier geen rijke Limeños – maken selfies voor de fontein. Thomas en ik hebben eindelijk weer eens een mooi gesprek. Daar is weinig tijd voor geweest de afgelopen weken waarin hij worstelde met alle nieuwe verantwoordelijkheden die Middle School met zich meebrengt. Hij opent het gesprek nadrukkelijk, ik zit op dat moment volop te genieten van het beeld van de selfies makende Peruaanse gezinnen.

‘Mama, ik maak me zorgen. Over jullie…’

Geschrokken draai ik mijn lichaam naar hem toe. Mijn oudste zoon met zijn felbegeerde flesje cola kijkt bedrukt voor zich uit. Koortsachtig ga ik bij mezelf te rade over wat hij kan bedoelen. Het gaat toch allemaal fijn thuis? Arjen en ik zijn gelukkig met elkaar en ik meende toch dat dat zichtbaar en voelbaar was voor de kinderen. Maar dat bedoelt hij niet. Zijn zorgen betreffen ons gebrek aan liefde voor Lima. Een stad die hij wel heeft omarmd, net als zijn broertje. Met name onze weerzin tegen Lima in de winter, baart hem zorgen.

‘Drie jaar is lang mama, als je niet blij kunt zijn met wat je hebt.’

Ik wil direct in de verdediging schieten. Een pleidooi houden waarom Arjen en ik gelijk hebben. Dat Lima toch echt – ECHT – een vreselijke stad is in de winter. Maar ik houd me pedagogisch verantwoord in en besluit te luisteren. Naar onze elfjarige die soms wat al te wijs lijkt voor zijn leeftijd. Hij vertelt me hoe trots hij is dat hij zijn plek heeft gevonden in Lima. Dat hij op school maar ook thuis echt gelukkig is.

‘Want we weten allemaal dat het niet gemakkelijk was, mama.’

De winter, zo vertelt hij me, vindt hij fijn. In Israel hadden we niet echt winter, op een paar frisse dagen na. De zon scheen er bijna altijd. In Tanzania hadden we helemaal geen winter. Daar werden de seizoenen alleen gemarkeerd door regen of geen regen. De variatie in temperatuur was voor ons, Westerlingen, wel erg subtiel. Nu, in Lima, hebben we weer een soort van winter. Een periode waarin dekbedden (of dubbele dekbedden) heerlijk zijn om onder te slapen. Thomas vertelt hoe hij daarvan geniet. De kou in zijn slaapkamer. En dat het dekbed dan zo gezellig warm is. De open haard, dat is ook zo’n dikke plus. Heerlijk als daar een houtvuur in knappert laat in de middag. Dat we dan als gezin rondom het vuur zitten, met een boek, een spelletje, een goed gesprek. Zo gezellig.

‘Dat heb je in de zomer niet.’ Vervolgt hij zijn betoog. ‘Vorige week hadden jullie al je vrienden uitgenodigd en zaten jullie met z’n allen bij de haard. Dat is toch super gezellig? En jullie hebben nu toch ook veel fijne vrienden? Waarom vinden jullie Lima dan nog steeds zo vreselijk? Mama, jullie zijn gewoon niet dankbaar voor wat er wel is. En dat leren jullie mij toch altijd? Dat ik naar het halfvolle glas moet kijken, niet naar het halflege glas?’

Stilletjes luister ik naar Thomas. Wat heeft hij gelijk. Wat slaat hij de spijker op z’n kop. We kijken te veel naar het grijze, staan niet genoeg stil bij het licht.

Want we hebben inmiddels echt een fantastische groep vrienden hier! Het heeft veel tijd gekost, ze te vinden en tot verdieping met ze te komen. Maar ze zijn er wel. En nu Arjen goed brandhout heeft gevonden, gebruiken we de haard meer in het weekend. Met dubbele gevoelens, dat wel. De rook is natuurlijk beroerd voor de toch al vervuilde lucht. Maar gezellig is het wel. Onder een dik dekbed slapen vind ik persoonlijk ook een genot. Een koude slaapkamer zonder loeiende airconditioning idem. Dat de kinderen hun plek hebben gevonden op de behoorlijk elitaire school, is verdomde knap en fantastisch. Arjen heeft een topbaan en ik heb, nu ik een deel van mijn taken op school heb overgedragen, weer echt tijd om te schrijven. Heerlijk is dat. Juist als het buiten koud is en het warm is in Bodega Dasso, mijn favoriete schrijfplek. Waar de obers mijn potje Hierba Luisa (thee van citroengras) al gaan halen als ik er naar binnen loop.

Ik heb uiteindelijk anderhalf uur op dat pleintje zitten praten met Thomas. Over het leven in Lima, over school, vrienden, mijn boek, het zwemteam. Later bleken Arjen en Benjamin ook genoten te hebben van hun tijd samen op de berg. De rest van de middag brachten we door bij een leuk restaurant waar we tequeños aten met guacamole en limonade van limoentjes dronken. Peru is echt zo slecht nog niet. En Lima eigenlijk ook niet. Nou ja, behalve dan die schimmel op mijn jurken, die toch iedere keer weer verschijnt ondanks de luchtontvochtiger die fulltime draait in de kleedkamer. Maar Thomas heeft gelijk, het glas is gewoon halfvol. Die keuze kun je zelf maken. En dat doe ik dus maar weer. Dank je wel, lieverd, voor je wijze woorden.

5 comments

  1. Ontroerend mooi gesprek, mooi als je kinderen jullie ook zo observeren en de wereld positief zien. En prachtig opgeschreven! Dikke pluim voor jullie allemaal!

    Like

  2. Zo fijn wanneer je kinderen meer zien dan jij en hier nog over praten ook.
    Geniet van jullie tijd in Peru het is daar zo mooi!
    Maar nog even een practische tip. Koop, wanneer je in Nederland bent, van die vacuum kledingzaken. Die zijn fantastisch, houden vocht en schimmel buiten. Ik gebruik ze al jaren omdat we dit probleem ook op de boot hebben.
    Succes.
    Groetjes

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s