Thuis. Waar dat ook moge zijn…

Hand in hand lopen we over het slingerende pad dat dienstdoet als stoep. De wereld om ons heen is groen. Helder groen, donker groen, grijs groen. Hoge bomen, volle struiken. De zon schijnt uitbundig – de zomer is uitzonderlijk in Nederland dit jaar. Van elkaar gescheiden door weelderig groen, ogen de uiteenlopende recent gebouwde huizen allemaal even aantrekkelijk. Mooie architectuur, sommige huizen verdienen de naam villa en zijn ongetwijfeld onbetaalbaar voor ons. Andere huizen zijn bescheiden qua omvang. Wat al deze huizen met elkaar verbindt, is dat ze in de natuur zijn gerealiseerd. Vogels fluiten, verkeer is er nauwelijks. Ik voel me thuis, al ben ik hier voor het eerst. Arjen en ik oriënteren ons op onze hopelijk toekomstige leefomgeving. Centraler in Nederland dan Voorburg, dichtbij een NS station en in of heel nabij de natuur. Ons oog is op Kerckebosch gevallen, een wijk waar in de afgelopen jaren veel nieuw gebouwd is in een groene omgeving. Het gevoel me thuis te voelen hier is intens. Ik ga nooit meer terug naar Lima.

Bij mijn ouders in Eijsden voelt het evenzo thuis. Thomas en Benjamin roepen vanuit de garage dat ze even gaan fietsen. Een half uur later vragen we ons af waar ze naartoe zijn gefietst. Zo goed kennen ze de buurt niet en zonder ons fietsen is nieuw voor hen. We wonen al jaren in fiets-onvriendelijke steden. Ze blijken bij de speelplaats naast de buurtschool te zijn. Hun fietsen kameraadschappelijk naast elkaar, alsof ze niet anders gewend zijn. Bij mijn ouders hebben de jongens hun eigen kamer. Donald Duckjes liggen klaar. Vergeten ondergoed van een jaar geleden, gewassen en gestreken. In de koelkast staat vanille yoghurt en vegetarische smeerworst. Hagelslag is er in vier variaties. De broodjes zacht en wit. Ja, dit is thuis.

Een tijdelijk thuis dan. We vertrekken na enkele dagen van liefde en energie tanken bij mijn ouders alweer naar Frankrijk. Voor het eerst stuit de geplande vakantie in de Franse Provence op weerstand. Bij Thomas. Hij wil niet weg. Hij wil in Nederland blijven deze vakantie.

‘Nederland is mijn land’, zegt hij. ‘Hier spreekt iedereen mijn taal. Hier hebben ze mijn brood. Ik hoef niet naar Frankrijk. Ik wil hier zijn.’

We twijfelen. Wat zullen we doen? We begrijpen de gevoelens van onze oudste. Doordat ik op de geplande dag van vertrek van Lima naar Amsterdam met ademnood op de EHBO belandde, moesten we onze vlucht met vijf dagen uitstellen. Influenza en een beginnende longontsteking maakten vliegen onverantwoord. We zijn dus nog maar een paar dagen in Nederland als we vertrekken naar Frankrijk. We gaan toch, maar met de belofte de planning zo aan te passen dat we eerder terugrijden naar Eijsden, naar mijn ouders.

Ook in Frankrijk voelen we ons thuis. De camping aan een riviertje, nabij Vaison-la-Romaine, is een oude bekende. Sterker nog, veel van de kampeerders kennen ons nog van toen we hier met onze ukkies waren, jaren geleden. Benjamin kijkt vreemd op als een oma-look-a-like hem vertelt hoe ze met hem over de paadjes van de camping wandelde toen hij één jaar was. Hij kent haar niet, zij hem blijkbaar wel. We genieten, Arjen en ik. Komen tot rust. Het ene boek na het andere wordt verslonden. Arjen bedwingt de Mont Ventoux en verbetert zijn persoonlijk record. De kinderen maken vriendjes op de camping, zwemmen in de rivier, spelen tafeltennis.

Na een paar hele volle dagen in Parijs en Disneyland – ook al zo fijn – brengen we meer tijd door met onze familie. De verjaardag van Arjens moeder herenigt ons met familie die we jaren niet gezien hebben. Vertrouwd. Die jaren zonder elkaar te ontmoeten buiten Facebook maken blijkbaar weinig uit. Het is goed. Gesprekken rijgen zich aaneen. Gemakkelijk zo, in je eigen taal. De zon schijnt nog steeds. Even op de fiets naar de Albert Heijn, brood halen bij de bakker, struinen door de HEMA en het Kruidvat. De koffers raken alweer vol en het duurt niet lang eer de eerste koffers dichtgaan. Arjen gaat terug naar Lima. Zijn werk roept. Op het vliegveld in Lima kruist zijn pad dat van de ambassadeur die naar Nederland vliegt voor zijn welverdiende vakantie. Eén van hen moet altijd op de post zijn.

De jongens en ik kamperen nog een week zonder Arjen in het zuiden van het land. De camping ligt aan de bosrand en is vijf minuten rijden van mijn ouders. ’s Ochtends ontbijten we voor de tent met vele soorten hagelslag, verse aardbeien en blauwe bessen van Nederlandse bodem. Het brood is heerlijk. De yoghurt en de melk biologisch – in Peru moeilijk te krijgen en onbetaalbaar. Voor een week is het even alsof we bij mijn ouders in de buur wonen. We gaan bij ze op de koffie, lunchen samen en doen onze eigen dingen. Ondertussen is Arjen in Lima en loopt met zijn ziel onder de arm. Het is er grijs en klam, het huis groot en stil zonder kinderen en zonder vrouw.

Voor de jongens en mij is het een zegen dat Arjen in Lima op ons wacht als het tijd is om afscheid te nemen van mijn ouders. Die stem in mijn hoofd wil niet terug naar Lima. Wil geen afscheid nemen van mijn ouders. Maar mijn hart wil terug naar mijn geliefde. Ook de kinderen worden verscheurd door tegenstrijdige gevoelens bij het afscheid. Ze moeten mijn gevoelens hebben overgenomen, dat neem ik mezelf kwalijk. Ik ben te open geweest over mijn weerzin terug te gaan. Huilend rijd ik de straat uit in Eijsden. Omdat Arjen er niet is, kan dat eigenlijk niet, dat huilen. Ik verman me aan het eind van de wijk. Ik moet sterk zijn voor de jongens. De muziek van Radio 538 gaat op hard en samen rijden we naar Schiphol waar we de auto inleveren en een laatste nachtje doorbrengen in CitizenM. Sushi etend kijken we film op onze kamer. Is dit ook thuis? Dit hotel op het vliegveld?

Nee. Dit hotel is geen thuis. Dit is een tussenstation, niemandsland. Dicht tegen elkaar aan brengen we een onrustige nacht door. Vliegen zonder papa is lang zo leuk niet. Gelukkig ben ik mijn vliegangst kwijt en kan ik de jongens coachen. Want zenuwen zijn er. Weg uit ‘ons land’. Opa’s en oma’s achterlaten. Wanneer zien we ze weer? Geen idee. Ik heb geen antwoord op die logische vragen. Mijn zusje en Didi, het schattige hondje dat door onze jongens als vierpotig nichtje is omarmd, zwaaien ons uit. ‘Wanneer zien we Didi weer?’

Vele uren later zitten twee slaapdronken, blonde jongens op de vloer van het vliegveld in Lima. Tussen de samendrommende toeristen – Djoser, SNP, Riksja – wacht ik op onze koffers vol kleren, kaas, appelstroop, bakpapier, Tony’s Chocolade, nieuwe Doppers, nieuwe schoenen. Aankomen in Lima is niet leuk. Het vliegveld is rommelig en vies. De chaos buiten de bagage-hal onoverzichtelijk. Taxi chauffeurs bieden schreeuwend hun diensten aan, groepen toeristen zoeken ‘hun bordje’. Ons bordje ziet Thomas al snel en een sympathieke meneer neemt zijn bagage-kar over. Op de weg is het druk, filerijdend doorkruisen we onveilig Callao. De zee kunnen we niet zien, het is donker en druilerig. Als we er bijna zijn, app ik Arjen. Nog acht minuten. Dan zijn we thuis. In de stad waar ik niet meer naartoe wilde. In het koude, grote huis dat nu weer tot leven komt. Met slapende kinderen en uit te pakken koffers. De koelkast is ook hier gevuld met favorieten. Mango! Mineola’s! Blauwe bessen maar dan die uit Peru. Een fles wijn. De bedden zijn klaar om beslapen te worden met schoon, fris ruikend beddengoed. We hebben elkaar maar een week niet gezien, maar wat is het weerzien fijn. We zijn weer samen. We zijn weer thuis.

 

One comment

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s