Buiten Lima begint Peru – Hoe wij de winter overleven

‘De winters zijn zwaar, daar moet je je echt mentaal op voorbereiden.’ Die waarschuwing kreeg ik voordat we naar Lima verhuisden. Hij werd daarna nog vele malen herhaald in de weken dat de zon overuren maakte en we ons meerdere keren per dag insmeerden met een hoge factor vanwege het gat in de ozonlaag boven ons. Ik moest erom lachen. Ik wist wel wat kou was in een tropisch land. Ik had immers de winter in Israël meegemaakt, toch? Ik wist hoe ontstellend koud het kan zijn in een huis dat gebouwd is op hitte. Hoe het vocht en de kou optrekken in de muren. Mijn steevaste antwoord was dan ook: ‘We zijn wel wat gewend hoor! Komt goed!’

En het komt ook goed. Daar niet van.

Maar echt, winter in Lima is wel van een andere orde dan winter in Tel Aviv. Het is hier écht koud! Tot op het bot gaat die kou en oh, ik wilde maar dat ik overdreef! We wilden absoluut geen kacheltjes neerzetten. Die dingen slurpen elektriciteit, slecht voor het milieu en dan trek je gewoon een extra trui aan toch? Dat doe ik dus. Als je mij tegenkomt nu, zie je een bolletje wol op benen. Laag over laag over laag, sjaal over sjaal. Heel charmant. En nog heb ik het niet warm. Mijn spieren raakten er zelfs door in een kramp: rugpijn, nekpijn, alles verkrampt! Alleen in bed krijg ik het warm. Net als mijn vriendinnen trouwens. Iedereen heeft opeens last van pijnlijke gewrichten die normaal gesproken lekker soepel lopen. En we worstelen allemaal met het gebrek aan licht. De grijze dagen rijgen zich aaneen en het vocht heeft al enkele paren schoenen en een super leuke, hippe tas groen doen uitslaan.

En dan is de grote vraag: hoe ga je daarmee om?

Op de school van onze kinderen werden we gewaarschuwd niet in de Lima-Expat-Trap te stappen. Wat dat is? Depressief thuis gaan zitten. Treuren en zeuren over het weer, over het verkeer, over het vocht. Ga erop uit! Zoek de parken op in de stad of beter nog, rij een paar uur en zoek de warmte op.

Toen we in Nederland met vakantie waren en we het contrast qua natuur en frisse lucht ten volle ervoeren, spraken Arjen en ik af dat dat onze strategie zou worden. We laten ons niet opsluiten in Lima. Niet door onszelf en niet door het verkeer. Wij gaan erop uit. We gaan op avontuur. En dan niet naar de luxe resorts aan zee (hoewel, dat is ook wel eens lekker!). Nee, we gaan Peru in. Het echte Peru.

Afgelopen weekend togen we naar Cantá. Dat ligt in de Andes, op ongeveer 2,5 uur rijden. We hadden een kamer geboekt in het enige hotelletje dat we daar konden vinden. Er was één review over dat hotel op Tripadvisor en daar werd gemeld dat de eigenaresse heel aardig was, de douche warm water gaf en de bedden goed waren. Prima.

Het is een heel bijzondere ervaring, in de winter vanuit Lima de bergen in rijden. Je start in een grijze stad in miezerige regen die met hele kleine, fijne druppeltjes alles nat maakt. Dan rijd je van de expat-bubble de buitenwijken in die ik niet anders dan sloppenwijken kan noemen.

IMG_3555

Als je dan nog wat verder doorrijdt… gaat de zon schijnen. Ook daar is armoede, maar die oogt totaal anders op het platteland. De mensen zien er ook anders uit. Opgeruimder, vrolijker, kleurrijker.

DSC04757

Toen we Cantá inreden, bleek de hoofdweg door het dorp afgezet – er stonden gewoon twee taxi’s dwars over de weg om aan te geven dat er niet verder gereden kon worden. Het was namelijk feest. Ah! Feest! Dat hadden we al eens eerder meegemaakt. Toen waren we Lima ontvlucht tijdens de overstromingen. Feest in Peru betekent écht feest. Zoiets als carnaval in Limburg. Ik heb helaas nooit van carnaval gehouden (met oprechte excuses aan mijn Limburgse familie – ik geniet van jullie foto’s. Van een afstand…). Mijn man is er ook niet gek op.

We hadden een heerlijke dag. Zoals wel vaker waren we de enige blanken buiten Lima. Veel expats begeven zich niet buiten de grenzen van hun district. Bang om te rijden (snap ik, laat ik ook aan mijn man over!), bang voor het onbekende. Geen zin in de files. Geen zin soms ook in de confrontatie met armoede – dat hoor ik vooral van expats uit de regio. Anyway, wij vinden dat dat er juist bijhoort. Het land waar we wonen echt ontdekken. Echt zien. In de lokale restaurantjes forel eten met patat, want het geld is er nodig. We wandelden naar een waterval, aten die forel, hadden mooie gesprekken met elkaar. Twee oude dames zonder voortanden wilden op de foto met onze blondjes die dat inmiddels met flair accepteren. Bij een lieve meneer kochten we wat souvenirtjes terwijl ik in mijn beste Spaans probeerde te vertellen over Nederland. De goede man had medelijden met ons dat we in Lima moesten wonen. Begrijp ik wel. Want het was daar zo mooi, in Cantá! Blauwe luchten, hoge bergen, veel groen.

Terug naar boven, naar het dorp, gingen we mee met een tuktuk. De hoogte had ons eronder gekregen. Hoofdpijn en zware benen speelden ons parten. Nou ja, de jongens en ik dan. Arjen had natuurlijk nergens last van. Hij kan echt alles aan. Boven aangekomen zagen we her en der oude mannetjes op de stoepen liggen. Anderen sleepten met kratten bier of met trombones en ander koper.  De sfeer zat er goed in. Al snel begon een kleine harmonie – voor de deur van het enige hotel van Cantá – heerlijke muziek te maken. De jongens trokken zich terug op onze kamer. Arjen en ik bleven op straat, dronken een biertje mee en dansten. De verbaasde inwoners van Cantá fotografeerden en filmden ons en kwamen niet meer bij van het lachen om onze houterigheid. Maar leuk dat ze het vonden dat we meededen!

Na een tijdje kregen we het koud – we zaten daar nogal hoog in de bergen en de zon zakte snel – en het was zo’n beetje bedtijd voor de jongens. Het feest – onder ons raam – ging door. Met pauzes speelde het harmonietje, iedere keer de drie nummers herhalend die het repertoire vormden. Het begeleidende gezang ging over in dronken gelal. Tot middernacht. De lieve mevrouw van ons hotel voorzag ons van een grote zak watten. Tegen het lawaai. Het werd een interessante nacht van slapen en waken en slapend waken. Niet alleen vanwege de feestgangers buiten maar ook door de hoogte. Om vijf uur ’s ochtends werden de feestelijkheden hervat. Na het ontbijt zagen we op straat erg veel extreem dronken mannen (de vrouwen leken beter bestand tegen het bier) die elkaar ondersteunden richting huis. Of die het onderweg naar huis hadden opgegeven en op de stoep hun roes probeerden weg te slapen.

We hebben dus vrijwel geen oog dichtgedaan in Cantá. Ondanks die prima bedden. Of dat erg is? Nee! Het was een top-weekend! We hebben zo genoten! De bergen en de zon, de muziek, de heerlijke forel, de blije Peruanen die weinig hebben maar intens in het leven staan en medelijden hadden met ons die in Lima moeten wonen.

Een Nederlandse vriendin van me was datzelfde weekend ook op avontuur, aan de andere kant van Peru, aan het strand. Terwijl we beiden op de terugweg waren naar Lima appten we met elkaar. Hoe mooi Peru is en hoe ontzettend weinig je daarvan meekrijgt als je alsmaar in Lima zit. Als je je uitzending naar Lima tot een succes wilt maken, moet je er echt op uit. Je hart openstellen voor het Peru buiten de miljoenenstad die je dagelijkse leefomgeving is. Althans, dat is hoe wij het zien. Wij kiezen daarvoor. We gaan erop uit. Gaan niet bij de grauwe, grijze zakken neerzitten, klagend over de kou. Hoewel… Koud heb ik het wel. Ik ga maar even met de jongens knuffelen en lekker koken. Dan gaat dat ook weer over!

PS We hebben inmiddels toch maar af en toe een elektrisch kacheltje aan in de keuken. Van onze achterburen geleend. Stiekem toch wel erg lekker, die warmte.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s